Lerarenregister: In gesprek met OCW over de bezwaren tegen het register

validatie-door-registerleraar-nl__0Op 30 november spraken we met staatssecretaris Sander Dekker. Bij dat gesprek kwam ook het lerarenregister aan de orde. Sander Dekker nodigde ons toen uit om samen met de onderwijsvakbond Leraren in Actie (LIA) verder te praten met het ministerie over de bezwaren tegen het lerarenregister. Sander Dekker betreurde de petitie van LIA tegen het lerarenregister omdat hij meent dat het register feitelijk precies is wat LIA wil. Zoals hij schreef in een memorie van antwoord aan de Eerste Kamer op 25 november 2016, bladzijde 22: “De regering kan de standpunten van LIA alleen maar onderschrijven.
We spraken zodoende ambtelijk op 21 december 2016, samen met Patrick Woudstra (docent MBO en ex-kaderlid AOb) en Kim van Strien (docent VO en bestuurslid LIA), met de programmamanager lerarenregister en enkele ambtenaren bij OCW. Hierbij  onze weergave van dat gesprek.

Draagvlak en de botsing tussen belangen en invloed

De Onderwijscoöperatie (OC) steunt het register terwijl geen van de lidorganisaties, AOb, CNVO, FvOv en Platform VVVO, het heeft voorgelegd aan hun leden. Het register heeft geen draagvlak bij de achterban van de genoemde partijen. Daarbij wordt de OC geheel gefinancierd door OCW, dat gaat om miljoenen. Dit zorgt voor een botsing tussen de belangen van de achterban en de belangen van de OC. De OC heeft weliswaar het motto ‘van, voor en door de leraar’, maar in de praktijk is de OC geenszins ‘van, voor en door de leraar’.

OCW geeft aan dat de insteek van het ministerie lijkt om met deze wetgeving het beroep op een hoger plan te tillen, dat gaat over beroepsgroepvorming op landelijk niveau. Voor de meeste leraren is de beroepsgroep nu hun afdeling of sectie in hun eigen school. Maar om te kunnen praten met leraren heb je beroepsgroepvorming nodig. De professionele governance is nu niet goed belegd. Terwijl het juist de beroepsgroep moet zijn die zelf verantwoordelijkheid neemt voor een systeem van kwaliteit. Ook in de zorg heeft de registerstructuur een kwaliteitsslag opgeleverd. De beroepsgroep stelt zelf de criteria op. Het lerarenregister is de plek waar de criteria van de beroepsgroep zijn beslag krijgt, daarin geeft de beroepsgroep aan wat ze belangrijk vindt. De wet faciliteert dat, geeft ook het recht op scholing zodat een schoolleider niet meer kan zeggen dat er op dat moment geen tijd voor is.

Mogelijkheden voor scholing

Wij kennen geen signalen dat leraren niet genoeg gemotiveerd zijn om te leren. Het succes van de lerarenbeurs bewijst eerder het tegendeel en de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid geeft aan dat Nederlandse docenten al meer scholen dat in de rest van Europa. Een verplichting op deze manier vormgeven leidt tot zo effectief mogelijk registeruren binnenhalen en niet tot groeiende kwaliteit van onderwijs. Een verplichting motiveert niet tot kwaliteit. Wat scholingsrecht betreft geeft de cao betere facilitering dan de registerwet. Tot een paar jaar geleden stond in de zowel in de cao van het PO als het VO het recht op 166 uur scholing per fte. Sinds een paar jaar is dat in de cao gehalveerd tot 83 uren. Maar dat is altijd nog 2 keer zoveel tijd als in de voorgenomen wet. Het gevaar is dat de facilitering in de cao verder beperkt wordt. Met het lerarenregister ligt er immers een wettelijke regeling.

OCW geeft aan dat de intentie van deze wet is om er een wereld bij te maken: de wet verrijkt de ‘cao wereld’ met het recht op scholing, vormgegeven door de beroepsgroep. In de praktijk kregen leraren binnen de cao niet altijd de scholing waar ze recht op hebben omdat de schoolleiding aangeeft dat het op dat moment niet uitkomt.  Dat kan nu niet meer. Het register maakt het beroepsgroep breed. De beroepsgroep geeft aan wat de mogelijkheden zijn en zet daar een kwaliteitscriterium op. De leraar kiest welke activiteiten hij doet. De leraar is de actor, dat gaat met deze wet verder dan scholing. De leraar is met deze wet ook de professional voor de klas die bepaalt wat er daar nodig is.

Een wereld er naast of faciliteren?

Wij vragen ons af of het nodig is ‘om er een wereld naast te zetten’. De cao geeft dus al aan dat een leraar zelfstandig recht heeft op scholing. Is het nodig om er zo’n bureaucratische structuur als het lerarenregister waar elke 4 jaar van 250.000 leraren beoordeeld moeten worden of ze voldoende gevalideerde scholing gedaan hebben om les te mogen blijven geven er naast te zetten? Moeten we leerkrachten niet meer  faciliteren dan verplichten? Zijn er signalen dat de leerkracht het als actor zonder deze verplichting niet goed gaat doen?

OCW beschrijft ons dat dit niet een reparatie van de cao is. OCW gaat niet over de cao. De wetgeving is bedoeld om de beroepsgroep aan het stuur te zetten: de beroepsgroep bepaalt zelf waar ze punten aan toe kent. Een schooleider die zegt dat er geen tijd is voor scholing zal zichzelf nu in de vingers snijden door de rechtspositionele gevolgen: de leraar mag op een gegeven moment geen les meer geven. Er wordt al 25 jaar over gesproken, op diverse plekken, maar niet bij de professional zelf.

Een schoolleider die nu scholing tegenhoudt houdt zich niet aan de cao. Als een docent dat nu accepteert, wat verandert het lerarenregister daar aan? Herregistratie is om de 4 jaar, hoe kan een schoolleider die zegt “doe dat volgend jaar maar er is nu geen tijd” daardoor op meer tegenspraak van de docent rekenen?

Patrick Woudstra geeft als MBO-docent ook aan dat er  sinds 2009  een professioneel statuut in het MBO is Dit werkt prima. Nu moet ik door het lerarenregister vanaf volgend jaar bij wijze van spreken naar het NOT vanwege de punten. De OC presenteert zich als representant van de beroepsgroep, maar is het niet.

OCW geeft aan dat er op dit moment geen vereniging van leraren is en de OC is wel een vereniging van organisaties die veel leraren bereiken: Het lerarenregister zorgt dat het gremium van de beroepsgroep ontstaat als deelnemersvergadering die de kwaliteitseisen vaststelt. Dat kan niet het bestuur van de OC zijn, dat zijn geen leraren. Alleen leraren bepalen dat. De deelnemersvergadering bepaalt zelf hoe ze kwaliteitseisen vastlegt, dat kan voor iedereen, maar ook per sector verschillend zijn.

Theorie tegenover praktijk

Wij zien hierin wel problemen. Het klinkt wellicht in theorie mooi, maar bijvoorbeeld het MBO is heel divers, van binnenvaart tot banketbakkerij. Ook in het PO zijn er totaal verschillende onderwijsvisies. Een structuur met een professioneel statuut speelt daar op in. Bij het lerarenregister kan er in de praktijk wrijving ontstaan tussen de verschillende visies die er zijn. Je ziet dat ook aan het huidige gevalideerde aanbod. Wij zien daar veel aanbod dat ons inziens de professionaliteit niet versterkt.

OCW geeft aan dat dat bij advocaten niet anders is, ook daar zijn veel verschillende specialisaties:  Het is aan de beroepsgroep om daar zelf structuur in aan te brengen. In de zorg beoordeelt bijvoorbeeld een cardioloog niet een verpleegkundige. Verschillende delen van de beroepsgroep komen wel hierdoor in gesprek met elkaar en in de discussie zit de kracht die de beroepsgroep versterkt.

Effectiviteit van dit nascholingsregister

Met elkaar in gesprek komen is natuurlijk goed, maar het is zeer twijfelachtig dat de weg via gevalideerde nascholing de juiste is. Jelmer Evers en René Kneyber hebben ook aangegeven dat een nascholingsregister niet effectief is en in geen enkel ander land geslaagd is. Als  OCW meer met leraren had zelf had gesproken in plaats van de OC, zou het ministerie tot dezelfde conclusie komen. Heeft het ministerie zich niet vergist met de gedachte dat de OC de beroepsgroep representeert?

OCW benoemt dat je het juist door er punten aan te hangen zichtbaar maakt, dat kan ook motiveren. Dat het register scholing zichtbaar maakt, is ook een reden voor veel docenten om daar blij mee te zijn aldus OCW.

Ontbreken van draagvlak met deze structuur

De vele ambassadeurs die de OC heeft ingezet om de werkvloer te prikkelen zich in te schrijven in het register is niet effectief gebleken. Waar geeft de wetstekst vertrouwen dat er een andere structuur ontstaat die de beroepsgroep wel representeert? In de afgelopen jaren met een vrijwillig register is er niets gebeurd aan het aanpassen van de bestuursstructuur van de OC, terwijl de noodzaak van een structuuraanpassing regelmatig is aangegeven.

OCW geeft aan dat in de wet is vastgelegd dat leraren gaan over de professionalisering met one-man-one vote. Niet de OC, de vakbonden, het ministerie of schoolbesturen.

Die structuur is er nu niet. Afgelopen jaren is er geen aanzet geweest tot het vormen van een lerarenraad. De weinige voorstanders van het register hopen dat het een aanzet is tot een andere structuur, maar het is de omgekeerde weg: de wet ligt er al maar de structuur is er niet. Dat is anders dan bij andere beroepsgroepen met een register.

OCW geeft aan dat de structuur, de deelnemersvergadering nu, heel zorgvuldig, wordt ingericht. Dat betekent een stap voor leraren en schoolbesturen want er verandert straks echt iets. Dat is geen big-bang moment, dat moet groeien. Dat zie je ook bij andere registers, het ontstaan is een groeiend proces geweest. We moeten het de tijd geven, over 15 jaar kun je terugkijken en bepalen of dit geslaagd is of niet.

De afgelopen jaren, met het vrijwillig register, had die structuur opgebouwd kunnen worden. Het had een vrijwillig register aantrekkelijk kunnen maken. Dat is niet gebeurd, integendeel. Zie de brieven van mw. Heesterman over het functioneren van de LerarenAdviesRaad en de OC. Dat geeft geen vertrouwen dat het met een verplicht register beter gaat.

OCW geeft aan dat registreren niet het doel is, maar een middel:  Straks heeft de deelnemersvergadering het mandaat over het register. De rol van de OC strekt zich uit tot hun jaaragenda met bijvoorbeeld het lerarencongres, de lerarenkamer en het LerarenOntwikkelFonds. Het mandaat van de deelnemersvergadering komt onafhankelijk naast de structuur van de OC. Het werk van de OC heeft er wel voor gezorgd dat er nu politiek momentum is voor het lerarenregister. Het doel van de wet is de versterking van de professional governance. Die profesional governance komt terug in alle punten van het wetsvoorstel. Wij vinden het kwalijk dat geen van de lidorganisaties van de OC voor het voorstel draagvlak heeft bij hun achterban. Het is daarbij nog kwalijker dat in de AOb Patrick Woudstra als kritisch kaderlid te verstaan is gegeven geen kritiek te geven op het voorstel. In plaats van de inhoudelijke kritiek serieus te nemen, serveert de AOb serveert de kritiek zelfs af als ‘lariekoek’. Daarom ontstaat er ook een petitie tegen het register met 25.000 ondertekenaars.

OCW geeft aan dat dit wetsvoorstel er voor zorgt dat leraren de ruimte en verantwoordelijkheid krijgen om de discussie goed te doen en individueel binnen de school de verantwoordelijkheid ook te krijgen die je nodig hebt om je beroep goed uit te oefenen. Een aantal van die zaken zit ook in de petitie.

Waar schuurt het?

Het schuurt ook omdat het niet vanuit de beroepsgroep komt, maar voor de beroepsgroep is bedacht. LIA geeft aan niet tegen een register te zijn, LIA is tegen dit register. Er moet eerst sprake zijn van een structuur en faciliteiten . Vervolgens kun je kijken naar de vormgeving. Nu is het een registratieplicht; weer een plicht die de werkdruk verhoogt. Docenten zijn het zat om steeds verder klem te zitten. Het vrijwillige register heeft geen vertrouwen gegeven, integendeel. In theorie klopte de structuur met de lerarenadviesraad, in de praktijk bepaalde het OC-bureau, zie de brieven van mw. Heesterman.

OCW geeft aan dat het vrijwillige register een register van de OC is, dus privaatrechtelijk. Het wetsvoorstel maakt het publiekrechtelijk èn legt het in handen van de leraren zelf als beroepsgroep. De verschillende lerarenorganisaties van de OC hebben via hun eigen democratische processen hun achterban geraadpleegd[1].

Vertrouwen

Het verleden geeft daarvoor geen vertrouwen, in theorie was de opzet van het vrijwillige register goed. Als de praktijk anders is dan de theorie, raak je het vertrouwen kwijt. Wat zijn de plannen om het vertrouwen te herstellen? Alleen het verplicht maken van het register gaat natuurlijk niet werken als het vertrouwen er niet komt.

OCW benoemt dat het een kwestie is van leraren die het zelf vormgeven, met een zorgvuldige implementatie die de beroepsgroep gelegenheid geeft daarin te groeien. Daarom is de hele eerste periode van 4 jaar ook een soort proefronde. Het vertrouwen kan daardoor groeien, het zal wennen zijn voor leraren maar ook voor leidinggevenden. Leraren krijgen een belangrijkere stem in het gesprek over kwaliteit.

Het proces van totstandkoming van dit wetsvoorstel

Wij vragen ons af waarom dit proces niet ingezet wordt met een vrijwillig register. Het verplichte karakter roept veel weerstand op.

OCW geeft aan dat er natuurlijk de voorgeschiedenis is van 25 jaar. Dat het register nu verplicht zou worden is afgesproken in het regeerakkoord. Er is nu politiek draagvlak om de professionele governance hiermee te borgen, dat is wel belangrijk.

Wij denken dat het in dat proces mis gegaan is. Feiten lagen anders dan ze leken voor de kamerleden. In de politieke besluitvorming is men er steeds vanuit gegaan dat de OC de beroepsgroep representeert en er draagvlak was in het veld. Dat was feitelijk alleen gestoeld op een aanname van de bestuurders van de lidorganisaties van de OC, want ze hebben het draagvlak niet getoetst. Het is duidelijk dat ze nu beducht zijn om het draagvlak te toetsen omdat dan duidelijk wordt dat ze hun leden niet vertegenwoordigd hebben. De AOb is deze maand begonnen met voorlichtingsgesprekken voor leden.

OCW geeft aan dat het rapport “leerkracht!” van de commissie Rinnooy-Kan onder andere ging over een publiekrechtelijk, dus verplicht, lerarenregister. Dit om de beroepsgroep als geheel op een hoger plan te tillen. Een verplichting is nodig om het te laten gelden voor iedereen, je wilt niet dat het blijft bij enthousiastelingen die voorop lopen. Vanuit de verantwoordelijkheid van OCW voor het onderwijs is dat een logische gedachte. Dat maakt dat elke leraar een gelijke norm voor professionalisering heeft.

Ontbreken van facilitering

Wij missen het faciliteren van die professionaliteit in tijd en autonomie, zie de brandbrief met 2500 adhesiebetuigingen “wat heeft het onderwijs NU nodig?”. Als dat niet geregeld is, bijvoorbeeld via een maximum van 20 lesuur per fte, is het de vraag of in de praktijk iets terecht komt van dit register. Je hebt een papieren werkelijkheid en de echte werkelijkheid.

Vervolg

Het is duidelijk dat we het niet eens zijn, terwijl nog niet eens alle bezwaren tegen dit wetsvoorstel besproken zijn. Het gesprek wordt dan ook besloten met de afspraak dat er een vervolggesprek komt tussen OCW en LIA.

Frans van Haandel
Mark van der Veen

[1] Dit is het beeld van OCW. Staatssecretaris Dekker zei het bij de behandeling in de Tweede Kamer zo: “Het zijn niet alleen maar de bestuurders, zoals even werd gesuggereerd in het debat, die het daar bepalen en voor het zeggen hebben. Het zijn veelal democratische organen, die hun standpunten bepalen in samenspraak en met zeggenschap, soms zelfs via een lerarenparlement, over de punten die zij inbrengen.
Bij later contact naar aanleiding van dit verslag gaf OCW aan dat het raadplegen van de achterban de verantwoordelijkheid is van de lerarenorganisaties, niet van OCW en het dus niet aan OCW is om dat met bronnen te onderbouwen.
Ondanks de indruk die OCW blijkbaar heeft, is het zo dat geen van de lidorganisaties van de OC steun heeft voor het lerarenregister van hun (kader)leden. FvOv, CNV-Onderwijs en platform VVVO hebben het nooit aan hun (kader)leden voorgelegd. De AOb zegt draagvlak te ontlenen aan het besluit van de Algemene Vergadering van 2014, maar de onderliggende stukken laten zien dat in die vergadering is ingestemd met de inzet van de AOb dat het register alleen het sluitstuk kan zijn van een kwaliteitsketen. Bij een ledenraadpleging bleek ook steun voor het uitgangspunt dat er allereerst een beschermde status van het beroep leraar moest zijn. De AOb communiceerde over die inzet naar de leden eind 2014: Ook voor onbevoegde collega’s moet volgens Dekker een aparte plek zijn in het register. ‘Volgens het ministerie van OCW moeten we weten wie het zijn’, hoort Dresscher in het overleg. ‘Maar ook in het medisch BIG-register komen geen onbevoegden of artsen in opleiding voor. Je bent bevoegd, of niet. Het probleem van de onbevoegde collega wordt veroorzaakt door werkgevers die onbevoegden benoemen, zonder te beseffen dat een bevoegdheid halen én werken een loodzware opdracht is.’
In het voorliggende wetsvoorstel is er geen verandering voor de inzet van onbevoegden maar wel is vastgelegd dat een bevoegde leraar die zich niet inschrijft of onvoldoende punten registreert geen les meer mag geven. In 2014 zei de AOb, met steun van de achterban, daarover:  ‘Op die manier blijft alleen een extra ontslaggrond over. Dat is geen lerarenregister maar een strafregister.’
Het is jammer dat de Tweede Kamer geen nadere vragen aan Staatssecretaris Dekker heeft gesteld over de ‘samenspraak en zeggenschap’ waarmee gesuggereerd wordt dat er draagvlak is bij de leraren op de werkvloer.

Advertenties

3 thoughts on “Lerarenregister: In gesprek met OCW over de bezwaren tegen het register

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s